Tussen 1860 en de jaren twintig bouwde de burgerij van Altea buitenhuizen buiten de dorpskern: villa’s met torens, koepels en parken. Een ervan werd het decor van een klassieker uit de Valenciaanse literatuur.
In de negentiende eeuw veranderde wie in Altea de grond bezat. Na de desamortizaciones (de onteigening en verkoop van kerk- en gemeentegoederen) kwam een burgerij op die de lokale politiek en economie in handen nam en zich vermengde met de oude landadel. Miguel del Rey beschrijft die samenleving als ondernemend, handeldrijvend, agrarisch en zeevarend.
Altea lag niet geïsoleerd: over zee was er handel met Valencia, Barcelona, Marseille en Londen, later ook met Madrid; verschillende staten hadden hier een consulaat, en de spoorlijn naar Alicante verbond het dorp met de hoofdstad. Wie geld had verdiend, bouwde wat toen aan de kust en in de grote steden in de mode was: een vrijstaand huis in het groen, met uitzicht, toren en tuin, en niet langer in het dichte weefsel van de oude vila.
Vandaag zijn ze het kwetsbaarste deel van het erfgoed van Altea. Del Rey schrijft dat in het laatste derde van de twintigste eeuw veel werd gesloopt of onherkenbaar verbouwd, en dat het landschap waartoe ze behoorden, werd weggevaagd. De zes buitenhuizen op deze pagina staan in de gemeentelijke beschermingscatalogus (ARQ 01, 05–08 en 18); Del Rey noemt ze Bien de Relevancia Local.
De beschermingsniveaus worden uitgelegd op de pagina Monumenten.
Mar i Cel staat op de terrassen die van de Tossal de Molar afdalen naar Cap Negret, met de zee ervoor. Het werd gebouwd in het eerste decennium van de twintigste eeuw.
Als opdrachtgever geldt Horacio Javaloyes Zaragoza (circa 1850 – 21 april 1924), grondbezitter en boegbeeld van de familietak die men in Altea els Horasios noemde. Hij was rentmeester van de baron van Finestrat, plaatselijk leider van de liberale partij en had een ijsfabriek op de benedenverdieping van zijn huis in de calle del Mar. Een genealogisch naslagwerk over de familie noemt Mar i Cel uitdrukkelijk als het landgoed “met een fraai herenhuis en landbouwgrond, dat hij in het eerste decennium van de eeuw liet bouwen”, aan het begin van de Costera el Catalí, in Cap Negret.
Welk consulaat hij bekleedde, is daarentegen onzeker, en daar is een reden voor: de Javaloyes leverden drie generaties lang consuls van verschillende staten in Altea. Zijn vader Manuel was vanaf 1875 viceconsul van Groot-Brittannië — als opvolger van de overleden Luis Martínez — en vanaf 1886 consulair agent van Frankrijk; zijn broer Enrique nam de Franse functie in 1890 over; zijn zoon Miguel werd later viceconsul van Engeland en burgemeester van Altea. Del Rey presenteert Horacio als consul van Frankrijk; het genealogische naslagwerk kent hem geen enkel consulaat toe. Hoe dan ook zegt de lijst veel over hoe open het dorp toen was.
Zeker is hoe het huis gebouwd is, en dat wijkt af van de plaatselijke voorbeelden. Del Rey beschrijft een vrijstaand palacete (een klein paleis) op het klassieke schema van negen vierkanten, vrij geïnterpreteerd: elke zijde in drie delen, een centrale ingang en een diepe vestibule met de trap. De twee hoofdverdiepingen eindigen in topgevels, met zadeldaken die aan tegenover elkaar liggende zijden een verschillende helling hebben, en een kleine centrale opbouw. De gevelvlakken tonen een laat modernisme met eclectische motieven aan deurposten en bovenlichten, en de hoeken zijn afgerond, hetzelfde middel als bij de Morería. Daarboven een castillete (een torentje) van waaruit het huis uitkijkt over de zee, de bergen, de Morro de Toix en de Penyal d’Ifac.
De poort aan de huidige N-332 is een blik waard als u voorbijkomt: zorgvuldig bewerkte natuursteen uit de groeven van Les Quintanes.
In de jaren dertig kocht Carlos Sánchez-Cutillas het huis. Hij was getrouwd met Elisa Martínez, dochter van de schrijver uit Altea Francisco Martínez y Martínez, en was de vader van Carmelina Sánchez-Cutillas. Het gezin woonde in Mar i Cel tot de burgeroorlog, waarin het landgoed in beslag werd genomen; daarna ging het over naar Pedro Juan Avargues. Uit die jaren stammen de kinderzomers die veertig jaar later een boek werden.
Deze opvolging staat zo bij Del Rey en in het genealogische naslagwerk. Geen van beide geeft er documentaire onderbouwing voor: geen eigendomsregister, geen notariële akten. We geven haar weer voor wat ze is: datgene waarover het plaatselijke onderzoek het eens is, en niet als een geverifieerd eigendom.
Dat het huis van de ene familie naar de andere ging, betekent niet dat het de kring verliet: Horacio Javaloyes was getrouwd met Teresa Martínez Martínez, en zijn drie zonen trouwden met drie zussen Martínez Lozano. In Altea was de achternaam heel gewoon; welke verwantschap er precies was met de schrijver Francisco Martínez y Martínez, blijkt niet uit de beschikbare bronnen.
De Villa Gadea ligt wat hoger boven l’Olla de Altea, tegenover de Illeta, en was vroeger omringd door dennenbos. Als opdrachtgever geldt Vicente Gadea y Orozco, advocaat, rector van de Universitat de València en conservatief senator. Volgens Del Rey begon de architect José Juan Camaña y Laymón (1850–1926) rond 1888 met de bouw; in 1890 was het huis klaar en in 1898 werd de kapel ingezegend, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen, Sint-Vincentius en Sint-Laurentius.
Het was het meest ambitieuze geheel van de reeks: een villa rotonda met terrassen naar zee, een park in naturalistische stijl en een as die naar het huis leidde, met aan het eind een meertje met een spiraalvormig gotisch torentje. De koepel is van moderne materialen en de plattegrond a la italiana, met palladiaanse wortels. De Valenciaanse elite kwam er over de vloer; Gadea stierf in 1904 in het huis. Rond 1965–1970 werden hier de Festivales de España gehouden.
Van het geheel is weinig over: park, oprit, landbouwgrond, bedrijfsgebouw en oliemolen zijn verloren gegaan. Het hoofdgebouw werd in 1995–1996 gerestaureerd door Eduardo de Miguel. Del Rey schreef in 2014 dat het de Policía Local huisvestte; vandaag is de Villa Gadea de zetel van het centrum dat aan Carmelina is gewijd (deel 9; Alicante Plaza 2021 en 2022).
De Finca Montemolar, of Finca del Marqués, bekroont de Tossal de Molar en bepaalt het profiel van l’Olla en Cap Negret: naar het zuidwesten kijkt ze uit op Altea, naar het oosten op de baai. Opdrachtgever was José Beneyto Rostoll, advocaat en diplomaat, getrouwd met de markiezin van Campo-Fértil. Ze dateert van 1924 en is een werk van Francisco Mora, die in Barcelona was opgeleid bij Domènech i Montaner en in de kring rond Gaudí.
Het is een patiohuis. De patio heeft aan elke zijde drie arcaden op slanke zuilen, rondbogen en een neomudéjar plint van tegels (azulejos). Twee torens flankeren het hoofdgebouw, de daken hebben groen geglazuurde dakpannen uit Teruel en de hoofdgevel kleine kantelen; het metselwerk is breuksteen met hoeken van gehouwen steen. Het opvallendste onderdeel is de Mirador del Marqués, een modernistische pergola van gewapend beton, okerkleurig geschilderd.
Dit huis is op de hele pagina het enige geval met een bron uit die tijd: het weekblad Blanco y Negro schreef in januari 1926, twee jaar na de bouw, over het landgoed en noemt de architect: “De architectuur van het huis, werk van de vooraanstaande Valenciaanse architect D. Francisco Mora”. Bij de andere huizen komen de gegevens uit later onderzoek.
Tijdens de burgeroorlog werd het landgoed in beslag genomen en als hotel gebruikt; daarna was het een residentie van de Obra Sindical Educación y Descanso. Del Rey rekent het tot de interessantste stukken van de villa-architectuur in Altea.
De Morería is de oudste van de reeks, volgens Del Rey van rond 1860, en ligt waar de ravijnen (barrancos) van Riquer en van les Cases samenkomen, tussen de pijnbomen die van de Bèrnia afdalen. Het landschap maakt deel uit van haar waarde.
Als opdrachtgever geldt Miguel Jorro y Such, diplomaat en politicus; na zijn financiële ondergang ging het huis naar zijn broer Francisco. Diens dochter Ana Jorro Gómez, in Altea bekend als Anneta Nicoli, woonde er ook.
Het werd niet nieuw gebouwd: een ouder landhuis met twee beuken, een middenas en een achterplaats werd verbouwd tot palacete. Precies in het midden verrees een toren die door het dak steekt — Del Rey vergelijkt dat met de tekeningen van de Franse architectuur van de Verlichting. De kantelen en de naam van het huis zelf wijzen in dezelfde richting: naar de romantische smaak van die tijd. De hoeken zijn afgerond, zoals later bij Mar i Cel.
De Villa Sagi-Vela, nu Villa García, ligt op een plateau boven de vulkanische rotsen van de kust. Ze werd begin twintigste eeuw gebouwd voor de bariton Emilio Sagi Barba en zijn vrouw, de sopraan Luisa Vela; later kocht de familie García haar, naar wie ze nu heet.
In Altea wordt verteld dat het oorspronkelijke ontwerp van Antoni Gaudí zou zijn, een vriend van Sagi Barba. Dat is niet gedocumenteerd. Del Rey formuleert het in de lijdende vorm (“se atribuyen en su diseño inicial”), zonder te zeggen wie het toeschrijft en zonder enige bron, en Altea komt niet voor in de oeuvrecatalogi van Gaudí. We vermelden het omdat het in het dorp wordt verteld, niet omdat het bewezen is.
Gebouwd werd een klein paleis in academische stijl met twee beuken, een symmetrische gevel van vijf traveeën over twee verdiepingen, een schilddak en een eclectisch fronton midden boven de dakrand.
Het huis is verbouwd en opgedeeld, maar heeft zijn vrijstaande karakter, de gevels en de dakconstructie behouden. Bewaard zijn ook deuren en ramen, historiserende glasramen, de balustrade van de oorspronkelijke trap en keramiekpanelen op de terrassen. De jachthaven, nu vóór het huis, heeft het uitzicht veranderd waarvoor het werd gebouwd.
De Hort de la Campaneta ligt aan de calle Alicante, de oude koninklijke weg (camino real), bij de ingang van de vroegere dorpskern, in terrassen boven moestuinen die door de Reg Major werden bevloeid. Het huis werd gebouwd in opdracht van Bartolomé Such. De datering is onzeker: Del Rey twijfelt tussen het laatste derde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste, en wijst op grond van vorm en stijl op 1901–1911, ongeveer gelijktijdig met het stationsgebouw.
De plattegrond is U-vormig rond een kleine patio, met een portiek ervoor. Twee koepels met blauwe geglazuurde schubben flankeren een middenterras; onder een ervan ligt een oratorium gewijd aan de Onbevlekte Ontvangenis. Die koepels zijn de reden waarom Del Rey hier de hand vermoedt van bouwmeester Adrián Vela Gadea, die de kerk van de Mare de Déu del Consol bouwde: de vormen zijn verwant. Ook daarvan is geen documentair bewijs. Del Rey typeert het huis als “protomodernisme met lokale verwijzingen”; het was een geliefd motief op de ansichtkaarten van de Hermanos Coello.
De naam komt van een klok die Vicente Sendra, die het landgoed midden jaren vijftig kocht, aan de kerk van de franciscanen schonk.
Niet alles verrees buiten de kern. Twee gebouwen stonden in de oude stad:
Die zomers in Mar i Cel werden literatuur. Carmelina Sánchez-Cutillas (1921–2009) schreef met Matèria de Bretanya (1976) een van de bekendste boeken uit de Valenciaanse naoorlogse literatuur: de jeugdherinnering aan een Altea dat niet meer bestaat — het grote huis en dat van de pachters, de volwassenen, de kinderen, het werk van mannen en vrouwen, de paden, de terrassen, de zee. De Acadèmia Valenciana de la Llengua riep haar in 2020 uit tot Escriptora de l’Any, en in 2021 was het honderd jaar geleden dat ze werd geboren.
Daaruit zijn twee dingen voortgekomen die u vandaag in Altea kunt bezoeken:
Openingstijden en inschrijving van het centrum zijn niet openbaar online te vinden. Vraag het vooraf na bij de Casa de Cultura, carrer Pont de Moncau 14. Activiteiten worden aangekondigd op alteacultural.com ↗.
De meeste huizen zijn niet te bezoeken; in de Villa Gadea zit het Carmelinacentrum. Vanaf de weg ziet u de poort van Mar i Cel aan de N-332 en het silhouet van de Finca Montemolar op de Tossal de Molar.
Basis van deze pagina is het artikel van Miguel del Rey, “Arquitectura ecléctica alteana a finales del siglo XIX”, in Sarrià. Revista d’investigació i assaig de la Marina Baixa, nr. 10 (2014), p. 133–144, vrij toegankelijk via raco.cat ↗. Del Rey is architect en auteur van Paseando por las alteas (Valencia, 2016); het artikel werd geschreven in verband met de gemeentelijke beschermingscatalogus.
Bij dat artikel hoort een beperking die voor bijna alles op deze pagina geldt: het heeft geen noten. Er zijn geen voetnoten, alleen een bibliografie van zes titels aan het eind die niet aan concrete beweringen te koppelen is. In de lopende tekst noemt Del Rey maar twee bronnen: de reportage in Blanco y Negro uit 1926 over de Finca Montemolar en Carmelina’s roman over Mar i Cel. Voor de Villa Gadea, de Morería, de Casa Cervantes en de Casa de las Torres is er geen enkele verwijzing; bij de Hort de la Campaneta en de toeschrijving aan Gaudí formuleert hij uitdrukkelijk vaag (según algunas fuentes – volgens sommige bronnen, quizás – misschien, se atribuyen – worden toegeschreven). Daarom staan de gegevens hier als toeschrijvingen en niet als bewezen feiten.
De gegevens over de familie Javaloyes — data, consulaten, bezittingen en de bouw van Mar i Cel — komen uit het Diccionario Genealógico de Perceval, lemma Javaloyes (2008), dat zelf steunt op Gutiérrez del Caño, Monografía Histórica de la villa de Altea, en op aantekeningen van José Luis Luri. De gegevens over het Carmelinacentrum — zetel in de Villa Gadea, initiatiefnemers, de route “Altea, la casa de la mar” — komen uit de pers (Alicante Plaza, 24-12-2019, 25-6-2021, 5-1-2022) en van alteacultural.com; de bescherming van de gevel van de Casa Cervantes uit het Decreto 69/2013 (BOE-A-2013-7159); de catalogusnummers van de buitenhuizen uit de erfgoedlijst van de afdeling Cultuur (alteacultural.com).
Wat hier open blijft, blijft bewust open:
Van sommige historische foto’s van deze huizen circuleren online versies die met beeldbewerkingssoftware lichter gemaakt, verscherpt of aangevuld zijn. Zulke versies laten niet meer betrouwbaar zien wat er op het negatief stond en worden hier niet als historisch document gebruikt.
Samengesteld in oktober 2026 op basis van Del Rey (2014) en de lokale pers. Toeschrijvingen en dateringen volgen de stand van het onderzoek; waar er discussie is, staat dat in de tekst.
Typ om te zoeken — procedures, instanties, onderwerpen.